|
Miljoenen mensen in de wereld moeten vandaag nog steeds zware financiële en/of fysieke inspanningen doen om aan water te geraken. Hierdoor beschikken ze over minder mogelijkheden om aan de armoede te ontsnappen. Gebrek aan water brengt wel degelijk onvoldoende ontwikkelingskansen met zich mee. Eind 2002 publiceerde het Britse Centrum voor Ecologie en Hydrologie de eerste Water Poverty Index (WPI). De index, een eenvoudig cijfer, moet een beeld geven van de relatie tussen watervoorziening, integriteit van het milieu, gezondheid, sociale achterstelling en armoede. De WPI-index werd in samenwerking met meer dan 100 waterexperten over de hele wereld ontwikkeld. Zij heeft als doel het waterbeheer in landen en gemeenschappen te evalueren volgens een internationale standaard en om aanzetten te geven tot bijsturing. Water en armoede: een complex verbandHet verband tussen waterschaarste en armoede ligt voor de hand, maar is toch complexer dan doorgaans wordt aangenomen. De installatie van een pomp of waterleiding impliceert niet noodzakelijk dat vrouwen en kinderen optimaal kunnen profiteren van het nabije en zuivere water. Omwille van hun positie en rol binnen de familie of binnen de gemeenschap worden zij amper betrokken bij het beheer of de vorming. Naast de beschikbaarheid speelt ook de efficiëntie van het gebruik van dat water een rol in de armoedebestrijding. De Water Poverty Index (WPI) houdt dus niet alleen rekening met geofysische, maar ook met economische en sociale factoren. Concreet worden er 5 parameters ingebouwd: beschikbaarheid, toegang, capaciteit, gebruik en milieu.
De WPI-index kent aan elk van de 5 categorieën twintig punten toe. De hoogst mogelijke score voor een land is dus 100. Het klassementVandaag scoort Finland met 78 punten het hoogst op de WPI-tabel, gevolgd door Canada, IJsland en Noorwegen. In die landen is het drink-, oppervlakte- en grondwater ruim beschikbaar of wordt het voldoende aangekocht, het wordt efficiënt verdeeld en de watervoorraad is er van optimale kwaliteit. Er prijken echter niet alleen industrielanden aan de top van de WPI. Op de vijfde en zesde plaats staan twee ontwikkelingslanden: Guyana en Suriname. Sommige industrielanden staan zelfs laag gerangschikt, zoals de VS (32ste) en Japan (114de). De waterconsumptie in de VS is de hoogste ter wereld terwijl Japan o.a. een lage beschikbaarheid van water kent. Vervuiling van het oppervlaktewater zorgt ook voor een lagere score. Dit is onder meer het geval voor België, dat uitkomt op de 56ste plaats. In het algemeen klassement wordt het slechtst gescoord door Niger, Ethiopië, Eritrea, Malawi, Djibouti, Tsjaad, Benin, Rwanda en Burundi. Absolute hekkensluiter is Haïti met 35 punten. De rangschikking is volgens Dr. Sullivan van het Britse Centrum voor Ecologie en Hydrologie echter niet het belangrijkste. Belangrijker is dat er een middel voorhanden is om een beeld te krijgen van waar nog werk aan de winkel is en om vooruitgang te meten. Een uitbreiding van de Water Poverty Index (WPI) is de Climate Vulnerability Index (CVI). Hierbij worden bijkomende geografische factoren in rekening gebracht in functie van de onderzochte plaats. Met de CVI krijg je een aanduiding van de kwetsbaarheid van het milieu. |
Zoek |